Inschrijven op onze nieuwsbrief Voor een beknopte en heldere toelichting bij de recentste ontwikkelingen in wetgeving en rechtspraak: vertrouw ons uw e-mailadres toe.

Ligt het arbeidsrechtelijk onderscheid arbeiders-bedienden op apegapen ?

 

Reeds sinds mensenheugenis wordt in het Belgisch arbeidsrecht een cruciaal onderscheid gemaakt tussen arbeiders en bedienden. Volgens de Arbeidsovereenkomstenwet van 1978 worden arbeiders en bedienden van elkaar onderscheiden op grond van het criterium handen- versus hoofdarbeid. Arbeiders zijn volgens de wet zij die vooral handenarbeid verrichten. Bedienden verrichten daarentegen hoofdzakelijk hoofd- of geestesarbeid.
Het belangrijkste verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden is zonder enige twijfel dat met betrekking tot het ontslag. De opzeggingstermijnen voor arbeiders en bedienden verschillen inderdaad vrij spectaculair van elkaar, uiteraard in het voordeel van de bedienden.
Reeds geruime tijd staat dit onderscheid evenwel onder druk. Vele specialisten van het arbeidsrecht zijn het immers eens dat het onderscheid tussen arbeiders en bedienden niet langer houdbaar is in onze huidige hoogtechnologische samenleving. In een dergelijke hoogontwikkelde maatschappij zijn er immers quasi geen werknemers meer die loutere handenarbeid verrichten.
In het verleden werden reeds vanuit diverse hoeken (wetgever, Nationale Arbeidsraad, rechtspraak) vruchteloze pogingen ondernomen om dit onderscheid weg te werken of af te zwakken.
Met een recent arrest van 7 juli 2011 zou het Grondwettelijk Hof thans wel eens het finale nekschot kunnen hebben gegeven aan het onderscheid arbeiders - bedienden.
Het geschil dat aanleiding gaf tot dit arrest was vrij eenvoudig : een werknemer die sedert 1999 als arbeider was tewerkgesteld voor een kledingbedrijf met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, werd in april 2008 door zijn werkgever ontslagen met een correcte uitbetaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon voor een periode van 28 dagen. Alhoewel voormelde opzeggingsvergoeding correct op de bestaande wettelijke bepalingen was en is gesteund, kon de betrokken werknemer zich daarbij niet neerleggen. De werknemer was immers van oordeel dat een opzeggingstermijn van 28 dagen (zoals voorzien in artikel 59 Arbeidsovereenkomstenwet) in strijd is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, nu een bediende in exact dezelfde omstandigheden overeenkomstig artikel 82 Arbeidsovereenkomstenwet recht zou hebben op een veel langere opzeggingstermijn van zes maanden.
In haar arrest van 7 juli 2011 volgt het Grondwettelijk Hof verrassend en voor het eerst in dergelijke duidelijke bewoordingen de redenering van de werknemer : het Hof komt inderdaad tot het besluit dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot de duur van de opzeggingstermijn voor arbeiders in strijd zijn met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Om tot deze verregaande conclusie te komen stelt het Hof in het arrest zeer duidelijk dat de wetgever, door het onderscheid tussen arbeiders en bedienden te doen steunen op de voornamelijk manuele respectievelijk intellectuele aard van hun werk, verschillen in behandeling heeft ingevoerd op grond van een criterium dat de invoering ervan op dat ogenblik bezwaarlijk objectief en redelijk zou kunnen verantwoorden.
De wetgever krijgt twee jaar (uiterlijk tot 8 juli 2013) de tijd om deze ‘manifeste ongrondwettigheid’ recht te zetten.
Toch bouwt het Grondwettelijk Hof enige voorzichtigheid in door te verklaren dat de gevolgen van de betrokken wetsbepalingen gehandhaafd worden totdat de wetgever nieuwe bepalingen aanneemt en uiterlijk tot 8 juli 2013.
Het Grondwettelijk Hof zadelt de reeds veel geplaagde federale wetgever derhalve op met een zeer belangrijk bijkomend huiswerk, bovenop de inspanningen die op vlak van de toenadering tussen de opzeggingstermijnen van arbeiders en bedienden recent reeds werden geleverd.
De tijd die de wetgever daarvoor krijgt is niet onbegrensd : tegen uiterlijk 8 juli 2013 moet het huiswerk af zijn, zoniet vervallen de wettelijke bepalingen inzake de opzeggingstermijnen voor arbeiders met alle gevolgen van dien.
Het valt thans af te wachten wanneer de federale wetgever aan deze zware huistaak kan beginnen en naar welk voorbeeld uit de buurlanden daarbij vooral zal worden gekeken.
Zal de federale wetgever de mosterd halen bij onze buur en belangrijkste handelspartner Duitsland, die het onderscheid tussen arbeiders en bedienden inmiddels ingevolge wetgevend ingrijpen heeft afgeschaft? Of zal de Belgische Wetgever meer gecharmeerd zijn door het Oostenrijkse ‘Ruchsack’-model waarbij opzeggingstermijnen en opzeggingsvergoedingen van elkaar worden losgekoppeld en de opzeggingsvergoeding wordt omgebouwd tot een soort spaarrekening of rugzak die wordt geïntegreerd in de tweede pensioenpijler (aansluitend pensioen)?
De tijd zal het ongetwijfeld uitwijzen, alleen is die tijd niet onbegrensd.

Nicolas Vanlerberghe, Trius Advocaten

site by tales.be