Inschrijven op onze nieuwsbrief Voor een beknopte en heldere toelichting bij de recentste ontwikkelingen in wetgeving en rechtspraak: vertrouw ons uw e-mailadres toe.

Bezint alvorens gij een veelbelovende interimkracht aanwerft.

Sedert enkele decennia vormt uitzendarbeid voor vele ondernemingen, al dan niet in bepaalde piekperiodes, een welgekomen aanvulling op de reguliere arbeidsmarkt. Het flexibel systeem van interimarbeid laat ondernemers inderdaad toe om zeer snel in te spelen op een soms zeer tijdelijke nood aan onmiddellijk beschikbare arbeidskrachten. De sector van de uitzendarbeid heeft de laatste jaren dan ook een hoge vlucht genomen en is ondertussen zelfs uitgegroeid tot een van de belangrijkste indicatoren van een economische recessie of van het feit dat de economie opnieuw aantrekt.

De basisfilosofie van de wetgever bij de invoering van de uitzendarbeid bij Wet van 24 juli 1987 was en blijft op heden nog steeds, zij het wellicht in mindere mate, om de vaste tewerkstelling van uitzendkrachten te bevorderen. Soms komt die filosofie van de wetgever evenwel in een zeer gespannen relatie te staan met de economische en vooral financiële realiteit van de tientallen ondertussen opgerichte uitzendondernemingen.  Vaak komen bedrijven via het systeem van de uitzendarbeid immers in contact met veelbelovende arbeidskrachten. Al vlug rijpt dan de idee om deze arbeidskrachten op een meer duurzame manier aan het bedrijf te binden door hen in vast dienstverband aan te werven. Een dergelijk 'vast' arbeidscontract beantwoordt weliswaar volledig aan de filosofie van de wetgever bij de invoering van het wettelijk systeem van de uitzendarbeid, doch zet ontegensprekelijk ook de uitzendkantoren onder zware financiële druk omdat zij er ingevolge een te snelle afwerving van de uitzendarbeid niet langer in slagen om hun screening- en selectiekosten over een voldoende lange periode te recupereren. Vandaar dat in de sector van de uitzendarbeid vooral het laatste decennia het wijd verspreid gebruik gegroeid is om in de overeenkomsten met de ondernemers-gebruikers een zogenaamd afwervingsbeding op te nemen. Een dergelijk beding voorziet dat de gebruiker aan het uitzendkantoor een forfaitaire schadevergoeding moet betalen van meestal ongeveer 20 % van het bruto jaarloon indien hij binnen een bepaalde minimumperiode van meestal ongeveer vier maanden overgaat tot aanwerving van de uitzendkracht in vast dienstverband.

Sedert 15 september 2001 bestaat er geen twijfel meer over dat afwervingsbedingen principieel rechtsgeldig zijn. Met ingang van 15 september 2001 heeft de wetgever immers bij Wet van 5 september 2001 het oude artikel 18 van de Uitzendarbeidswet  opgeheven, dat voorzag dat als niet bestaande worden beschouwd de bedingen tussen het uitzendbureau en de gebruiker waarbij is overeengekomen dat deze laatste een schadeloosstelling zal verschuldigd zijn aan het uitzendbureau ingeval een uitzendkracht bij de gebruiker zou aangeworven worden.

Desalniettemin blijkven de ondernemers-gebruikers heel vindingrijk in hun pogingen om bij de afwerving van een uitzendkracht toch maar te ontsnappen aan de betaling van de contractueel voorziene schadevergoeding. Zo wordt wel eens geargumeneerd dat afwervingsbedingen in strijd zouden zijn met artikel 16 Uitzendarbeidswet, waarin wordt voorzien dat 'de contractuele bedingen waarbij het de uitzendkracht verboden is zich bij een gebruiker te verbinden, als niet bestaande worden beschouwd'. Een ander veel gebruikt argument in dergelijke discussies is dat een afwervingsbeding moet worden beschouwd als een schadebeding zodat het op grond van artikel 1231, § 1 van het Burgerlijk Wetboek kan worden verminderd indien de voorziene schadevergoeding manifest de schade overschrijdt die het uitzendkantoor door de vroegtijdige afwerving van de uitzendkracht lijdt.

In een vrij recent arrest van 15 februari 2010 heeft het Hof van Beroep te Gent, volledig in de lijn van de meerderheidstrekking binnen de rechtspraak, evenwel de puntjes op de i gezet met betrekking tot voornoemde pogingen om alsnog aan de betaling van de contractueel voorziene schadevergoeding te ontsnappen. Vooreerst merkt het Hof terecht op dat artikel 16 Uitzendarbeidswet enkel de relatie regelt tussen het uitzendkantoor en de uitzendkracht en geenszins de relatie tussen het uitzendkantoor en de gebruiker. Verder bevestigt het Hof weliswaar dat een afwervingsbeding moet worden beschouwd als een schadebeding dat principieel in aanmerking komt voor vermindering doch in het voorliggend geval weigert het Hof deze vermindering effectief toe te passen op een afwervingsbeding waarin een schadevergoeding voorzien was van 28 % van het bruto jaarloon van de uitzendkracht, om reden dat volgens het Hof een dergelijk schadebeding niet manifest de potentiële schade van het uitzendkantoor overtreft.

De les die ondernemers-gebruikers uit deze rechtspraak kunnen en eigenlijk zouden moeten trekken is dat afwervingsbedingen in overeenkomsten met uitzendkantoren, die voorzien in een schadevergoeding van ongeveer 20 à 30 % van het bruto jaarloon van de uitzendkracht bij afwerving binnen een minimumperiode van ongeveer vier maanden, een grote kans maken om door de rechtspraak als rechtsgeldig te worden beschouwd. Ondernemers moeten de kost van de afwerving van een uitzendkracht dan ook mee budgetteren in hun beslissing om de uitzendkracht al dan niet in onderling akkoord met het uitzendkantoor op een meer duurzame wijze aan hun onderneming te binden. Het is immers evident dat wanneer de afwerving gebeurt met het akkoord van het uitzendkantoor de gebruiker dan geen schadevergoeding zal verschuldigd zijn bovenop de eventueel overeengekomen vergoeding.

Als uitsmijter kan uiteraard de vraag gesteld worden of de actuele rechtspraak inzake de principiële rechtsgeldigheid van afwervingsbedingen de basisfilosofie van de wetgever bij de invoering van uitzendarbeid, nl. het bevorderen van de vaste tewerkstelling van interimkrachten, niet voorbij schiet. Het lijkt immers evident dat de te betalen contractueel voorziene schadevergoeding sommige ondernemers ervan kan weerhouden om de interimkracht vast aan te werven.  Misschien beantwoordt uitzendarbeid ondertussen in dergelijke mate aan een dwingende economische nood dat de wetgever zijn basisfilosofie maar wat meer naar het achterhoofd heeft verschoven ?

Nicolas Vanlerberghe

 Indien u meer wenst te weten over deze nieuwsbrief kunt u mij gerust contacteren op nicolas.vanlerberghe@triusadvocaten.be

 

site by tales.be