Inschrijven op onze nieuwsbrief Voor een beknopte en heldere toelichting bij de recentste ontwikkelingen in wetgeving en rechtspraak: vertrouw ons uw e-mailadres toe.

Wij houden u graag op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen in de wetgeving en de rechtspraktijk. Daarom publiceren we regelmatig een nieuwsbrief waarin we u de recentste evoluties in ons vakgebied en onze visie daarop helder toelichten. Op deze manier getuigen we van de expertise die u zoekt.

01-09-2015

Is een nietig concurrentiebeding bij overdracht van onderneming voortaan vatbaar voor herleiding ?

Enige tijd geleden nam een producent van zonneweringssystemen een onderneming over die dergelijke systemen verdeelde. In de overeenkomst tot overname werd zoals gebruikelijk lastens de overlater een concurrentiebeding opgenomen met een toch wel opvallende duur van 17 jaar. Wellicht wegens miskenning van het concurrentiebeding door de overlater komt het tot een gerechtelijke procedure die uiteindelijk aan het Hof van Beroep te Gent ter beoordeling wordt voorgelegd.

 

In haar arrest van 17 december 2012 past het Hof van Beroep te Gent voor de rechtsgeldigheidstoets van het concurrentiebeding de zogenaamde klassieke leer toe. Volgens artikel 7 van het Decreet d' Allarde van 2-17 maart 1791 staat het eenieder vrij om naar goeddunken elke handel te drijven of elk beroep, bedrijf of ambacht uit te oefenen. Deze bepaling, die zich verzet tegen een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van handel en nijverheid, is van openbare orde. Het bedring dat een onredelijke beperking van de concurrentie naar voorwerp, territorium of duur oplegt, is bijgevolg nietig. Meer in het bijzonder oordeelt het Hof van Beroep te Gent dat een concurrentiebeding van 17 jaar bijzonder lang is, een dergelijk beding strijdig is met de vrijheid van handel en nijverheid, het beding nietig is en de nietigheid absoluut is en het beding niet kan gematigd worden.

 

De producent is het daar niet mee eens en tekent dan ook cassatieberoep aan tegen voormeld arrest. Met haar arrest van 23 januari 2015 laat het Hof van Cassatie een toch wel vernieuwend geluid horen.

Lees de volledige nieuwsbrief
19-03-2015

Rechtspraak zet deur op een (kleine) kier voor sms als bewijsmiddel in burgerlijke zaken

 

Rechtspraak zet deur op een (kleine) kier voor sms als bewijsmiddel in burgerlijke zaken

 

Justitie en “moderne” technologieën: het blijft een moeilijk, misschien zelfs onmogelijk huwelijk.

Dat het op heden anno 2015 nog steeds niet mogelijk is voor advocaten om in gerechtelijke procedures conclusies op een elektronische wijze aan de rechtbank over te maken, is er slechts één bewijs van.

 

Toch werd in twee recente arresten van Hoven van Beroep de deur op een (kleine) kier gezet om een sms te gebruiken als bewijsmiddel in burgerlijke zaken.

 

Alhoewel in beide arresten een verschillende interpretatie van het begrip “geschrift” wordt gehanteerd, kan uit deze arresten worden afgeleid dat een sms als een begin van bewijs door geschrift in de zin van art. 1347 Burgerlijk Wetboek kan worden beschouwd indien er absolute zekerheid bestaat dat het sms-bericht werd verstuurd door diegene tegen wie het bericht wordt gebruikt. Deze absolute zekerheid zal evenwel enkel bestaan indien diegene tegen wie de sms wordt ingeroepen niet betwist dat hij of zij het sms-bericht effectief heeft verstuurd. Van zodra diegene tegen wie het sms-bericht wordt gebruikt, betwist dat hij of zij effectief het bericht heeft verstuurd, kan een sms niet langer worden gebruikt als begin van bewijs door geschrift.

Vandaar: een kleine en misschien zelfs zeer kleine kier maar niettemin een kier.

Lees de volledige nieuwsbrief
22-01-2015

Bij een verkoop onder opschortende voorwaarde van het bekomen van een lening moet niet alleen de koper wakker zijn!

 Deze verkoop wordt gedaan onder de opschortende voorwaarde dat de koper een krediet kan verkrijgen voor de aankoop”. Iedereen kent deze clausule. Maar wat houdt ze nu eigenlijk precies in? En hoe moet de verkoper de clausule concretiseren opdat hij zich er ook effectief op zou kunnen beroepen indien blijkt dat de koper geen inspanningen levert om een lening te bekomen?

 

Wanneer een overeenkomst wordt gesloten onder een opschortende voorwaarde, betekent dit dat de verbintenis slechts opeisbaar is bij de vervulling van de voorwaarde, bijvoorbeeld het bekomen van een lening. Indien de koper naderhand geen krediet verkrijgt, houdt de overeenkomst op te bestaan en krijgt de voorwaardelijk aangegane verbintenis nooit uitvoering.

 

Uiteraard komt hier een bijzondere “maar” op de proppen. Het niet bekomen van de lening mag logischerwijze niet te wijten zijn aan een nalatige of foutieve houding van de koper. Men mag met andere woorden niet zelf aan de oorzaak liggen van het niet vervullen van de opschortende voorwaarde, bijvoorbeeld door bij geen enkele kredietinstantie aan te kloppen. Is dit wel het geval dan wordt de voorwaarde geacht toch te zijn vervuld en is de overeenkomst definitief (artikel 1178 B.W.).

 

Het Hof van Beroep van Gent sprak zich op 9 januari 2013 en 10 juni 2013 in twee verschillende zaken uit over dergelijke opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een krediet.

 

Onze conclusies naar aanleiding hiervan:

 

  1. De verkoper doet er goed aan in zijn clausule te concretiseren, bijvoorbeeld door duidelijk op te geven hoeveel kredietgevers om een lening moeten worden verzocht.
  2. Er moet een redelijke termijn worden voorzien om de koper toe te laten een lening te bekomen.
  3. Ook vermeldt de clausule best hoe de verkoper op de hoogte moet worden gebracht van de weigering van het krediet binnen een bepaalde termijn (vb. per aangetekende zending).
Lees de volledige nieuwsbrief
15-11-2014

Het eigendomsvoorbehoud : eindelijk een volwaardig en efficiƫnt wettelijk zekerheidsrecht

De Pandwet van 11 juli 2013 versterkt op ingrijpende wijze de positie van schuldeisers met een eigendomsvoorbehoud in alle gevallen van samenloop zoals faillissement.

Met de Pandwet van 11 juli 2013 heeft de Wetgever eindelijk gezorgd voor een algemene en verruimde wettelijke regeling van het eigendomsvoorbehoud. Een beding van eigendomsvoorbehoud is een contractueel beding bij een overdracht (koop, ruil, aanneming, schenking,...) waarbij de overdrager van roerende goederen zich het eigendomsrecht van die goederen voorbehoudt totdat de prijs voor deze goederen door de overnemer volledig is betaald. Een dergelijk beding maakt derhalve uitzondering op het beginsel dat in overdracht-overeenkomsten het eigendomsrecht overgaat op de overnemer vanaf de wilsovereenstemming en dus ongeacht de betaling van de overeengekomen prijs.

Voor de Pandwet van 11 juli 2013 was het eigendomsvoorbehoud in het Belgisch recht slechts zeer fragmentair wettelijk geregeld, nl. enkel in het kader van de Faillissementswet. Inderdaad de Faillissementswet erkent de tegenstelbaarheid van het beding van eigendomsvoorbehoud bij faillissement van de schuldenaar onder bepaalde strikte voorwaarden.

De meerwaarde van de Pandwet van 11 juli 2013 is in ieder geval dat voortaan voorzien wordt in een algemene en ook verruimde wettelijke regeling van het eigendomsvoorbehoud.

 

Lees ook al onze nieuwsbrieven en nieuwsberichten op LinkedIn !!

Lees de volledige nieuwsbrief
19-04-2012

Staan de schuldeisers bij een gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord volledig buitenspel ?

Staan de schuldeisers bij een gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord volledig buiten spel?

 

Bij de invoering van de wet betreffende de continuïteit van ondernemingen vanaf 1 april 2009 heeft de wetgever er zeer duidelijk voor gekozen om bij een gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord, wat in bijna twee derden van de gerechtelijke reorganisaties de weg is die de schuldenaar kiest, het initiatief op alle vlakken bij de schuldenaar te leggen. Het is immers de schuldenaar die de schuldeisers in de opschorting moet op de hoogte brengen van de opening van de procedure, die de schuldeisers moet inlichten over het bedrag van de schuldvordering waarvoor die schuldeisers in de boeken zijn ingeschreven en hun eventuele zekerheidsrechten en die een reorganisatieplan moet opstellen en neerleggen op de griffie van de rechtbank van koophandel.

Vervolgens komt het aan de schuldeisers toe om dit reorganisatieplan te onderzoeken en op de dag bepaald voor de zitting hun stem uit te brengen over dit reorganisatieplan. Wanneer het reorganisatieplan wordt goedgekeurd door de voorgeschreven meerderheden van de schuld eisers - meerderheid in aantal en bedrag van de op de stemming aanwezige of vertegenwoordigde vertegenwoordigde schuldeisers -, wordt het voorgelegd aan de rechtbank ter homologatie. Homologatie maakt het reorganisatieplan bindend voor alle schuldeisers, ook voor deze die er niet mee hebben ingestemd.

De wetgever heeft evenwel ook de schuldeisers binnen de gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord niet vergeten. In de gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord beschikken de schuldeisers inderdaad over verschillende mogelijkheden om tussen te komen om hun belangen veilig te stellen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Lees de volledige nieuwsbrief
25-11-2011

Het geduld van schuldeisers eindigt waar de rechtsverwerking begint.

 

Het geduld van schuldeisers eindigt waar de rechtsverwerking begint.
Hof van Cassatie zet de poort open naar een ruimere toepassing van de rechtsverwerking als alternatieve uitdovingsgrond van subjectieve rechten.
 
In quasi alle rechtstelsels geldt het als een algemeen principe dat een persoon zijn subjectieve rechten moet uitoefenen binnen een welbepaald tijdsbestek.
Het wordt inderdaad als juridisch onaanvaardbaar beschouwd dat subjectieve rechten eeuwigdurend zouden kunnen worden uitgeoefend. Daarentegen wordt het als rechtvaardig aanvaard dat personen na verloop van een bepaalde tijdspanne de zekerheid bekomen dat zij niet langer tot nakoming van een bepaalde schuld kunnen worden aangesproken.
Dit algemeen principe wordt bijna steeds gerealiseerd door een wettelijk systeem van verjaring. De verjaring komt er grosso modo op neer dat de mogelijkheid van een persoon om zijn/haar subjectief recht uit te oefenen na verloop van een welbepaalde periode vervalt.
Bij mondjesmaat en aanvankelijk schoorvoetend heeft de rechtspraak onder invloed van het Hof van Cassatie evenwel een bijkomende temporele beperking van de mogelijkheid om een subjectief recht uit te oefenen in het leven geroepen.
Reeds sedert 1990 aanvaardt het Hof van Cassatie immers dat de uitvoering van een subjectief recht door een persoon kan worden gecorrigeerd of zelfs geweigerd indien kan worden aangetoond dat rechtsmisbruik wordt gepleegd door de contractspartij die een haar toekomend recht uitoefent nadat zij bij de wederpartij het gewettigde vertrouwen had gewekt dit recht niet te zullen uitoefenen, en die zo een houding aanneemt die objectief onverenigbaar is met de houding die de betrokkene voordien bij de uitoefening van dat recht had aangenomen.
Deze leer van het Hof van Cassatie is sindsdien gekend onder de term ‘rechtsverwerking’.
Lees de volledige nieuwsbrief
07-10-2011

Ligt het arbeidsrechtelijk onderscheid arbeiders-bedienden op apegapen ?

Ligt het arbeidsrechtelijk onderscheid arbeiders-bedienden op apegapen ?

Reeds sinds mensenheugenis wordt in het Belgisch arbeidsrecht een cruciaal onderscheid gemaakt tussen arbeiders en bedienden. Volgens de Arbeidsovereenkomstenwet van 1978 worden arbeiders en bedienden van elkaar onderscheiden op grond van het criterium handen- versus hoofdarbeid. Arbeiders zijn volgens de wet zij die vooral handenarbeid verrichten. Bedienden verrichten daarentegen hoofdzakelijk hoofd- of geestesarbeid.

Het belangrijkste verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden is zonder enige twijfel dat met betrekking tot het ontslag. De opzeggingstermijnen voor arbeiders en bedienden verschillen inderdaad vrij spectaculair van elkaar, uiteraard in het voordeel van de bedienden.
Reeds geruime tijd staat dit onderscheid evenwel onder druk. Vele specialisten van het arbeidsrecht zijn het immers eens dat het onderscheid tussen arbeiders en bedienden niet langer houdbaar is in onze huidige hoogtechnologische samenleving. In een dergelijke hoogontwikkelde maatschappij zijn er immers quasi geen werknemers meer die loutere handenarbeid verrichten.
In het verleden werden reeds vanuit diverse hoeken (wetgever, Nationale Arbeidsraad, rechtspraak) vruchteloze pogingen ondernomen om dit onderscheid weg te werken of af te zwakken.
Met een recent arrest van 7 juli 2011 zou het Grondwettelijk Hof thans wel eens het finale nekschot kunnen hebben gegeven aan het onderscheid arbeiders - bedienden.
 
Lees de volledige nieuwsbrief
08-07-2011

Willekeurig ontslag : absoluut te vermijden !

Willekeurig ontslag: absoluut te vermijden!

Nu nog meer dan in het verleden moet de werkgever die het voornemen heeft een arbeider te ontslaan omwille van diens gedrag of ongeschiktheid, zich voldoende voorbereiden op de mogelijke motivatie die hij zal moeten geven voor het ontslag. Hij doet er goed aan schriftelijke bewijzen van de gedragingen of de ongeschiktheid én van de aanmaningen dienaangaande te vergaren. Het Hof van Cassatie heeft immers geoordeeld dat het louter causaal verband tussen het ontslag en het gedrag van de arbeider onvoldoende is om het ontslag niet willekeurig te maken. Er moet een legitieme ontslagreden worden bewezen.

Omdat vaak wordt vastgesteld dat er heel wat misverstanden bestaan omtrent de elementaire begrippen van het ontslagrecht vangt deze nieuwsbrief aan met een korte duiding. Vervolgens wordt ingegaan op de recente cassatierechtspraak inzake het willekeurig ontslag.

 

Lees de volledige nieuwsbrief
04-07-2011

Rechtspraak neemt voor het eerst standpunt in bij waardebepaling van aandelen

Rechtspraak neemt voor het eerst standpunt in bij waardebepaling van aandelen.

Met een arrest van 9 december 2010 heeft het Hof van Cassatie voor het eerst duidelijk standpunt ingenomen over de peildatum voor de waardering van de aandelen, in geval van een conflictsituatie. Wanneer een aandeelhouder verwikkeld is in een uitzichtloos conflict met zijn medevennoten, dan heeft hij de mogelijkheid om de andere aandeelhouder(s) via de rechtbank te dwingen hun aandelen aan hem over te dragen, of om zijn aandelen over te nemen. Een belangrijke discussie is dan de waardebepaling van de aandelen. Het tijdstip waarop de prijs bepaald wordt, is hierbij van groot belang. Het Hof heeft recent geoordeeld dat in het kader van een vordering tot uitsluiting de waarde van de aandelen moet bepaald worden op datum van de overdracht, zoals opgelegd door de rechter.

Lees de volledige nieuwsbrief
03-06-2011

Bezint alvorens gij een veelbelovende interimkracht aanwerft.

Bezint alvorens gij een veelbelovende interimkracht aanwerft !

Vaak komen bedrijven via het systeem van uitzendarbeid in contact met veelbelovende arbeidskrachten. Al vlug rijpt dan de idee om deze arbeidskrachten op een meer duurzame manier aan het bedrijf te binden door hen in vast dienstverband aan te werven. Een dergelijk 'vast' arbeidscontract beantwoordt weliswaar volledig aan de filosofie van de wetgever bij de invoering van het wettelijk systeem van de uitzendarbeid, doch zet ontegensprekelijk ook de uitzendkantoren onder zware financiële druk omdat zij er ingevolge een te snelle afwerving van de uitzendkracht niet langer in slagen om hun screening- en selectiekosten over een voldoende lange periode te recupereren. Vandaar dat in de sector van de uitzendarbeid vooral het laatste decennia het wijd verspreid gebruik gegroeid is om in de overeenkomsten met de ondernemers-gebruikers een zogenaamd afwervingsbeding op te nemen. De meerderheid van de actuele rechtspraak aanvaardt de rechtsgeldigheid van dergelijke afwervingsbedingen.

Lees de volledige nieuwsbrief
31-01-2011

Nieuwsbrief januari 2011

Wat ná het geven van het ontslag om dringende reden?
Menselijkheid mag, voorzichtigheid moet


Elke werkgever is zich ervan bewust dat voorzichtigheid geboden is bij het om dringende reden ontslaan van een werknemer. Terecht wordt bij dergelijk ontslag onder het motto “beter voorkomen dan genezen” geregeld de hulp van een advocaat ingeroepen.

Wat evenwel minder geweten is, is dat door een niet-consequente houding van de werkgever ná het ontslag om dringende reden, de vordering van de ontslagen werknemer tot betaling van een opzeggingsvergoeding alsnog om de hoek kan loeren.

Lees de volledige nieuwsbrief

site by tales.be